Engelse tijden            

Waar we in het Nederlands gewoon één vorm hebben voor een tijd, heeft de Engelse taal twee vormen: de 'gewone' vorm (1) en de 'ing'-vorm (2).

Zeer algemeen gezegd drukt de 'gewone' vorm (1) een feit uit en de 'ing'-vorm (2) een duur, maar daar valt veel meer over te zeggen.

Klik in een gekleurd vak op de link voor specifiekere uitleg en oefeningen!

 
 
Present
(invloed op)
het heden
 
 
Past
afgelopen
 
Present Future
zullen
Past Future
zouden
 
Simple
('gewoon')
 
 
(1) I study English every day
 
&
 
(2) I am studying English now
 
 
(1) Two years ago, I studied English in England.
 
&
 
(2) I was studying English when you called yesterday.
 
 
(1) If you are having problems, I will help you study English.
&
(2) I am going to start a drawing course.
&
(3) I will be studying English when you arrive tonight.
 
(1) I would lend you the money, if I had any.
&
(2) I was going to make the supper
&
(3) I would be studying English when you arrived that night. 
 
Continuous
('ing-vorm')
 
 
Perfect
('gewoon')
 
(1) I have studied English in several different countries
 
&
 
(2) I have been studying English for five years
 
(1) I had studied a little English before I moved to the U.S.
 
&
 
(2) I had been studying English for five years before I moved to the U.S.
 
I will have been studying English for over two hours, by the time you arrive.
 
(Tijdsduur uitdrukken; wordt hier verder niet behandeld.)
I would have been studying English for over two hours, by the time you arrived.
 
(Tijdsduur uitdrukken; wordt hier verder niet behandeld.)
Perfect Continuous
('ing-vorm')