Voorzetsels drukken de relatie uit tussen de woordgroep waar het voorzetsel deel van uitmaakt en een ander element in de zin. Voorzetsels zijn bijna altijd onderdeel van een woordgroep waarin het hoofdwoord een zelfstandig naamwoord is. Voorbeelden van voorzetsels zijn aan, achter, bij, op en voor:
Er zijn ook combinaties van voorzetsel mogelijk, zoals op ... af en door ... heen: 'Hij fietste hard op de stoep af', 'Je kunt niet meer door het glas heen kijken.'
Voorzetseluitdrukkingen
Voorzetseluitdrukkingen zijn vaste combinaties met een of meer voorzetsels die
in hun geheel de functie van voorzetsel hebben. Voorbeelden zijn met
betrekking tot, in het kader van, door middel van. Ze zijn
vaak te vervangen door één ander voorzetsel.
Voorzetsel of bijwoord
Sommige woorden kunnen zowel voorzetsel als bijwoord zijn. Ze worden dan wel voorzetselbijwoorden
genoemd. Ze kunnen verschillende functies hebben in de zin: ze kunnen deel
uitmaken van een scheidbaar
samengesteld werkwoord, deel zijn van het naamwoordelijk
gezegde of een bijwoordelijke
bepaling zijn. In dat laatste geval gaat het vrijwel altijd om bepalingen
van plaats, maar het kan ook een nadere bepaling zijn bij een woordgroep die met
een voorzetsel begint.