Wederkerige en wederkerende voornaamwoorden

Het wederkerend voornaamwoord verwijst bijna altijd terug naar het onderwerp van de zin. Welke vorm juist is, hangt dan ook af van het onderwerp van de zin.

 
  enkelvoud meervoud
eerste persoon me(zelf), mij(zelf) ons(zelf)
tweede persoon je(zelf), u(zelf), zich(zelf) je(zelf), u(zelf), zich(zelf)
derde persoon zich(zelf) zich(zelf)
De vormen met zelf krijgen meer nadruk dan die zonder.

Bij u kan zowel u(zelf) als zich(zelf) gebruikt worden: 'U kunt u/zich bij de balie aanmelden.' Het gebruik van zich heeft vooral de voorkeur als er anders twee keer u achter elkaar zou komen. Dus in plaats van: 'Meldt u u bij de balie' gebruiken we liever: 'Meldt u zich bij de balie.'

Enkele voorbeelden (de wederkerende voornaamwoorden zijn gecursiveerd):

De wederkerige voornaamwoorden zijn elkaar en de varianten elkander en mekaar. Deze woorden drukken uit dat twee personen een wederzijdse handeling verrichten: 'Jan en Piet groeten elkaar.'