Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen meestal naar levende wezens. De vorm hangt af van persoon en getal (eerste, tweede of derde persoon, en enkelvoud of meervoud), van de functie in de zin (als het voornaamwoord het onderwerp van de zin is, is de vorm anders dan wanneer het een andere functie heeft), of de vorm benadrukt wordt of niet (de zogenoemde volle en gereduceerde vormen) en het geslacht (mannelijk, vrouwelijk, onzijdig).
| persoon | onderwerpsvorm | niet-onderwerpsvorm | ||
|---|---|---|---|---|
| volle vorm | gereduceerd | volle vorm | gereduceerd | |
| eerste enkelvoud | ik | 'k | mij | me |
| tweede enkelvoud | jij, u | je | jou, u | je |
| derde enkelvoud | hij, zij | ie, die, ze, het, 't | hem, haar | 'm, 'r, d'r, ze, het, 't |
| eerste meervoud | wij | we | ons | - |
| tweede meervoud | jullie, u | je | jullie, u | je |
| derde meervoud | zij | ze | hen, hun | ze |
De vormen ie en die (vaak uitgesproken als tie) worden alleen gebruikt in informele taal direct na een persoonsvorm: 'Hoe gaat-ie?', 'Dat zal die wel niet meer doen.' Het is een persoonlijk voornaamwoord in zinnen als 'Weet je waar mijn boek is? Nee, ik heb het niet gezien.' Omdat het woord het vrijwel altijd wordt uitgesproken als [ut], is het te beschouwen als gereduceerde vorm.
De onderwerpsvorm wordt behalve als onderwerp van de zin ook gebruikt als aanspreekvorm en als naamwoordelijk deel van het gezegde.