Bezittelijke voornaamwoorden zijn woorden als mijn, jouw, enz. Ze geven aan dat er een bepaalde relatie is tussen een persoon, dier of instantie en een zelfstandig naamwoord. De persoon is bijvoorbeeld eigenaar of maker van het genoemde: mijn fiets, haar tekening. Ook familierelaties kunnen met het bezittelijk voornaamwoord worden uitgedrukt: zijn vader. Bezittelijke voornaamwoorden kunnen zowel zelfstandig als niet-zelfstandig voorkomen; de niet-zelfstandige vormen hebben vaak zowel een volle als een gereduceerde vorm. De gereduceerde vorm wordt vooral gebruikt als het bezittelijk voornaamwoord weinig nadruk krijgt.
| niet-zelfstandig | zelfstandig | |
| 1e persoon enkelvoud | mijn, m'n | mijne |
| 2e persoon enkelvoud | jouw, je, uw | jouwe, uwe |
| 3e persoon enkelvoud | zijn, z'n, haar, d'r | zijne, hare |
| 1e persoon meervoud | ons, onze | onze |
| 2e persoon meervoud | jullie, je, uw | *, uwe |
| 3e persoon meervoud | hun | hunne |
* Bij het bezittelijk voornaamwoord jullie bestaat geen zelfstandige vorm; hiervoor kan de constructie die/dat van jullie gebruikt worden.
Enkele voorbeelden (de bezittelijke voornaamwoorden zijn steeds gecursiveerd):
Voor de derde persoon enkelvoud geldt dat het geslacht van het woord waarnaar verwezen wordt, bepaalt of zijn of haar juist is. Zijn hoort bij mannelijke en onzijdige woorden, haar bij vrouwelijke: