Betrekkelijke voornaamwoorden

Het betrekkelijk voornaamwoord verbindt een hoofdzin en een (betrekkelijke) bijzin met elkaar. Het heeft dus behalve een verwijzende functie (die alle voornaamwoorden hebben) ook een grammaticale functie.

Betrekkelijke voornaamwoorden kunnen als antecedent (datgene waar ze naar verwijzen) een woord of een hele zin hebben, maar het antecedent kan ook, zoals in 'Wie dit leest is gek', 'ingesloten' zijn in het betrekkelijk voornaamwoord. Dat is dan uit te breiden tot degene die of datgene wat.

Er zijn zelfstandige en niet-zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden. Niet zelfstandig is welk(e), zelfstandig zijn dat, wat, die, wie, welke, hetwelk en hetgeen.

Het niet-zelfstandige welke wordt alleen in heel formele zinnen gebruikt: 'Hier ziet u de zitkamer, in welk vertrek dure schilderijen hangen.' Gewoner is het gebruik van het voornaamwoordelijk bijwoord: 'Hier ziet u de zitkamer, waarin dure schilderijen hangen.'

De zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden worden wel veel gebruikt, maar zorgen soms wel voor twijfels. Kort samengevat worden ze als volgt gebruikt: