Aanwijzende voornaamwoorden verwijzen nadrukkelijker ergens naar dan andere voornaamwoorden. Vergelijk bijvoorbeeld:
Aanwijzende voornaamwoorden kunnen zowel zelfstandig gebruikt worden (zoals in zin 1), als niet-zelfstandig, zoals in: 'Dat meisje kan prachtig zingen.'
Welk aanwijzend voornaamwoord gebruikt wordt, hangt af van of het zelfstandig of niet-zelfstandig gebruikt wordt, en van het woord waar het bij hoort:
Zelfstandig gebruikt
| enkelvoud | bij het-woorden | dit, dat, datgene, hetgene, zulk, zo'n, zulks |
| bij de-woorden | deze, die, degene, diegene | |
| meervoud | deze, die, degene(n), diegene(n), zulke(n) | |
Niet-zelfstandig gebruikt
| enkelvoud | bij het-woorden | dit, dat, ginds, zulk, zo'n, zulk een |
| bij de-woorden | deze, die, zulke, zo'n, zulk een | |
| meervoud | deze, die, zulke | |
Voorbeelden van zinnen met aanwijzende voornaamwoorden zijn: