Aanwijzende voornaamwoorden

Aanwijzende voornaamwoorden verwijzen nadrukkelijker ergens naar dan andere voornaamwoorden. Vergelijk bijvoorbeeld:

  1. Is Joost er al? Nee, die heb ik nog niet gezien.
  2. Is Joost er al? Nee, ik heb 'm nog niet gezien.
In zin 1 wordt een aanwijzend voornaamwoord gebruikt, in zin 2 een persoonlijk.

Aanwijzende voornaamwoorden kunnen zowel zelfstandig gebruikt worden (zoals in zin 1), als niet-zelfstandig, zoals in: 'Dat meisje kan prachtig zingen.'

Welk aanwijzend voornaamwoord gebruikt wordt, hangt af van of het zelfstandig of niet-zelfstandig gebruikt wordt, en van het woord waar het bij hoort:

Zelfstandig gebruikt
enkelvoud bij het-woorden dit, dat, datgene, hetgene, zulk, zo'n, zulks
bij de-woorden deze, die, degene, diegene
meervoud deze, die, degene(n), diegene(n), zulke(n)

Niet-zelfstandig gebruikt
enkelvoud bij het-woorden dit, dat, ginds, zulk, zo'n, zulk een
bij de-woorden deze, die, zulke, zo'n, zulk een
meervoud deze, die, zulke

Voorbeelden van zinnen met aanwijzende voornaamwoorden zijn:

Ook zelf kan, als het zelfstandig gebruikt wordt, een aanwijzend voornaamwoord zijn: 'Zij kwam zelf het goede nieuws brengen.'