Voegwoorden zijn woorden die zinnen (of woorden) 'aan elkaar voegen'. Met voegwoorden wordt het verband tussen (de inhoud van de) zinnen duidelijk. Er zijn verschillende soorten verbanden mogelijk:
Voegwoorden van voorwaarde geven aan dat wat in de ene zin beschreven wordt een voorwaarde is voor de andere zin: 'Ze geeft een feestje, tenzij ze ziek is', 'Hij geeft een feestje, mits hij voldoende geld heeft.' Voegwoorden van voorwaarde zijn bijvoorbeeld mits, tenzij, wanneer, als en indien.
Voegwoorden van reden, oorzaak en gevolg zijn bijvoorbeeld omdat en doordat, zodat en opdat, en want: 'Henny werd directeur doordat ze zo veel ervaring had', 'Joep begon te schreeuwen, omdat hij het zat was', 'Ik zeg het je, zodat je er iets aan kunt doen.'
Tegenstellende voegwoorden geven een tegenstelling tussen zinnen aan: 'Hij wil niet, maar zij wel', 'De voorstelling was lang doch interessant.'
Voegwoorden van toegeving zijn bijvoorbeeld hoewel en ofschoon. De informatie in de ene zin nuanceert de informatie in de andere zin: 'Ik vond het een vervelende man, hoewel hij wel goed kon uitleggen.'
Ook en, dat en of zijn voegwoorden: 'Hij deed de afwas en bracht de auto naar de garage', 'Rij jij of rij ik?', 'Ze vroeg of het leuk was', 'Ik vertelde dat ik ziek was.'