In het Nederlands bestaan er drie lidwoorden: de bepaalde lidwoorden de en het en het onbepaald lidwoord een.
Lidwoorden staan voor een zelfstandig naamwoord, of voor woorden die als zelfstandig naamwoord gebruikt worden zoals een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord. Tussen het lidwoord en het woord waar het bij hoort, kunnen een of meer andere woorden staan, zoals bijvoeglijke naamwoorden en telwoorden.
Enkele voorbeelden:
De wordt gebruikt bij mannelijke en vrouwelijke woorden en bij meervouden, het bij onzijdige woorden in het enkelvoud: de man, de commissie, de bond, de huizen, het paard, het mannetje. Er zijn weinig regels te geven voor het gebruik van de of het; moedertaalsprekers leren 'vanzelf' welk lidwoord het juiste is.