Bijwoorden zijn woorden die een zelfstandig naamwoord, een werkwoord of een ander bijwoord nader bepalen, dat wil zeggen dat ze meer informatie geven over het woord waar ze bij horen. Sommige bijwoorden kunnen een hele zin nader bepalen:
Sommige bijvoeglijke naamwoorden kunnen als bijwoord gebruikt worden, zoals bijzonder in 'een bijzonder aardige vrouw'. Andere voorbeelden zijn:
Voorzetselbijwoord
Voorzetselbijwoorden zijn bijwoorden die in vorm en betekenis gelijk zijn aan voorzetsels
als aan, bij. Voorzetselbijwoorden kunnen verschillende functies
hebben in de zin: ze kunnen deel uitmaken van een scheidbaar samengesteld werkwoord, deel zijn van het
naamwoordelijk
gezegde of een bijwoordelijke
bepaling zijn. In dat laatste geval gaat het vrijwel altijd om bepalingen
van plaats, maar het kan ook een nadere bepaling zijn bij een woordgroep die met
een voorzetsel begint.
Voornaamwoordelijk bijwoord
Voornaamwoordelijke bijwoorden zijn samenstellingen van de woorden er, hier,
daar en waar met een voorzetselbijwoord: ertussen, hierdoor,
daarmee, waarnaar. Voornaamwoordelijke bijwoorden worden vaak
gescheiden, maar dat is meestal niet verplicht:
Voegwoordelijk bijwoord
Voegwoordelijke bijwoorden leggen een verband tussen twee zinnen of delen van
zinnen; vaak hebben ze een versterkende betekenis. Voorbeelden van
voegwoordelijke bijwoorden zijn bovendien, echter, trouwens,
nochtans, ook en dus. Het verschil tussen een
voegwoordelijk bijwoord en een (nevenschikkend)
voegwoord is, dat een voegwoordelijk bijwoord een zinsdeel is en op
verschillende plaatsen in de zin kan staan. Het voegwoord kan alleen maar tussen
twee zinnen in staan: