Bijvoeglijke naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden geven een eigenschap of toestand aan van een
zelfstandig naamwoord. Bijvoeglijke naamwoorden staan vaak direct voor het
zelfstandig naamwoord waar ze bij horen, maar kunnen ook als apart zinsdeel
voorkomen. Enkele voorbeelden (het bijvoeglijk naamwoord is gecursiveerd):
- de blonde jongen
- de dronken vrouw
- de ovale tafel
- Fries suikerbrood
- het gouden kettinkje
- de jaarlijkse ledenvergadering
- Sommige hobby's zijn levensgevaarlijk.
Ook een tegenwoordig of voltooid deelwoord kan als bijvoeglijk naamwoord
gebruikt worden: een opvliegend karakter, een onderworpen volk, de
vergrote foto.
Gebruik van bijvoeglijke naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden kunnen op vier manieren gebruikt worden: attributief,
zelfstandig, predicatief en bijwoordelijk.
- Een attributief gebruikt bijvoeglijk naamwoord staat direct voor het
zelfstandig naamwoord waar het bij hoort: de blonde jongen, de
dronken vrouw. Het bijvoeglijk naamwoord is dan een bijvoeglijke
bepaling.
- Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden staan los in zinnen als:
- Wil jij een rode of een witte?
- Zij is de slimste van de klas.
- Een predicatief gebruikt bijvoeglijk naamwoord staat onder meer in zinnen
met een koppelwerkwoord;
het is dan het naamwoordelijk deel van het gezegde: 'De auto is rood',
'De tafel is ovaal.' Ook als een bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt
als bepaling van
gesteldheid, is het predicatief gebruikt: 'Dronken kwam zij
thuis', 'Vind je haar niet rustig?'
- Als het bijvoeglijk naamwoord bijwoordelijk gebruikt is, is het een
bijwoordelijke
bepaling. Meestal wordt het bijvoeglijk naamwoord dan ook een bijwoord
genoemd.
- De auto rijdt snel.
- Het tijdschrift verschijnt wekelijks.