Er was eens een Romeins keizer, die Brittannië had veroverd en nu
richting het oosten voer, om ook daar gebieden te gaan
veroveren.
Midden op zee brak een hevige storm los. Huizenhoge golven namen de
galeien op en smeten ze her en der, zodat ze elkaar spoedig uit het
oog verloren. Twee galeien werden tegen elkaar
gesmeten en barstten uiteen. Enige ogenblikken klonken de kreten van
de verdrinkenden boven het stormgeloei uit...
Eindelijk brak het licht weer door en de storm bedaarde. De galei van de
keizer was op een eenzaam strand geworpen. Overal lagen brokstukken
van schepen en vele lijken spoelden aan. Langzamerhand echter kwamen
de overlevenden weer bij elkaar. Aangevoerd door hun keizer trokken ze
het land in, verder naar het oosten.
Daar stuitten ze op een wild volk.
Ruig en dapper was dat volk, later de Hollanders genoemd. Ze
woonden in en om een sterke burcht, die ze Slavenburg noemden. Als één man
vochten ze tegen de Romeinse krijgers.
Hun strijdbijlen flikkerden in het zonlicht, hun
speren suisden fluitend door de lucht heen. Menig Romeins soldaat vond de
dood. Maar toch... Ten slotte zegevierde de Romeinse keizer ook hier
en ze sloten een bondgenootschap.
De Romeinse keizer en zijn mannen trokken verder en belandden bij
een bos, dat zo groot was, dat ze er niet omheen konden. "Recht erdoor!" beval
de keizer. Maar niet veel verder kwamen van alle kanten wilde dieren
tevoorschijn: leeuwen, beren, oerossen, wolven en wilde varkens besprongen het leger aan alle kanten, onder
luid gegrom en gehuil. Er was maar één manier om de dood te kunnen ontkomen:
terug, terug, terug.
"Wat is dat voor een woud?" vroeg de keizer, toen hij met
zijn mannen terug bij Slavenburg was. De hoofdman
van de burcht hoorde de
schrik en de angst in zijn stem. De oude wrok tegen de Romeinen werd weer in hem
wakker.
"Dat woud heeft geen naam," antwoordde hij duister.
"Nooit gehad?" vroeg de keizer verwonderd. "Kunt u ook
zeggen, hoe groot het is?"
"Men zegt, dat het tien mijlen lang en drie mijlen breed
is."
Toen vroeg de keizer, of er ook mensen woonden in dat woud.
"Dat weet ik niet," antwoordde de hoofdman. "Maar ik
weet wel, dat het beter voor u zal zijn om niet meer te trachten er
doorheen te breken."
"Zo, en waarom zal ik dat niet doen? Ik ben een Romeins keizer,
hoofdman!"
"Is het een eer voor een Romeins keizer om zijn leven te
verliezen in de muil van beren en wolven?"
De keizer zweeg. Hij stampte met de voet.
"Ge zult stellig de helft van uw mannen verliezen in dit
woud," vervolgde de hoofdman. "En de rest vindt aan de
andere zijde de dood."
"Aan de andere zijde?" vroeg de keizer. "Hoe bedoelt u
dat?"
"Omdat daar Friezen wonen, Heer. Dat zijn mensen, hoog van
gestalte, ruig van haar, sterk van lichaam en zo onstuimig in hun
moed, dat ze voor hun vijanden nog erger zijn dan deze dieren."
Nu zweeg de keizer lang. Strak keek hij naar het oosten, naar het zwijgende,
duistere woud. Het
verborg duizend doden.
"Dat is een woud zonder genade," mompelde hij toen, en
wendde zich voorgoed af.
De volgende dag sloeg hij met zijn leger de weg naar het zuiden in en
zocht langs de rivieren aanlokkelijker streken op. Nog eeuwen lag daar
het Woud zonder Genade, waar geen mens doorheen kwam.
Dit verhaal is een "sage". Weet jij wat dat is?
Klik hieronder op het 'Woud zonder genade' voor het antwoord.
----------------------------------------------------------------------