Woordenschat in 5 stappen



Stap 1
Zoek naar begrippen die je wilt aanbieden. Bedenk bij elk begrip: het is zinvoller om 3 of 4 woorden, die met elkaar te maken hebben, geclusterd aan te bieden, dan één woord alleen.


Stap 2
Je hebt nu een aantal woorden opgeschreven en geclusterd, dus 3 of 4 woorden bij elkaar. Schrijf de lidwoorden voor het woord en zoek in een juniorwoordenboek de precieze betekenis van elk woord op.
Bepaal nu in welke vorm deze woordclusters het best kunnen verschijnen. Dit kan in een parachute zijn, in een trap, een kast of een woordweb. Dat ziet er als volgt uit:

Parachute
De parachute geeft een hiërarchische relatie weer. Bij een parachute kun je altijd zeggen ........ is een soort ......... .

Voorbeeld: het woord “de insecten” hangt boven aan de parachute. Daaronder hangen de bromvlieg, de bij, de libel en de wesp. Je kunt zeggen: de bij is een soort wesp.



Woordtrap
Een trap laat een proces of ontwikkeling zien: groot, groter, grootst – dochter, moeder, oma.

Woordkast
In een woordkast vind je tegenstellingen: nacht – dag, groot – klein, beleefd - onbeleefd, ruw - glad.

Woordspin
Wanneer het cluster in geen van bovenstaande vormen te plaatsen is, komt het cluster in een spin terecht. Hierbij staat één woord centraal in het midden en de andere woorden hangen er omheen.


Stap 3
Print de woorden groot uit en hang ze op in de vorm van een parachute, woordtrap, woordkast of woordspin. Zorg voor een plaatje bij elk woord of een uitgeschreven betekenis. De op deze manier gevulde prikwand wordt ook wel een "woordmuur" genoemd.


Stap 4
Bied de woorden aan. Vraag liever niet aan kinderen: Wie weet wat....... betekent?" Het kan namelijk zijn dat een kind niet meteen de goede betekenis geeft. Andere kinderen onthouden het antwoord van dit kind dan wel. Vertel het dus liever meteen zelf!
Kies één woordcluster uit en bied het aan (5 minuten). Bedenk een leuke manier om dit te doen. Speel een kort toneelstukje, speel een verslaggever, doe alsof je op een bepaalde plek bent, ... . Leg in je toneelstukje de woorden van het cluster duidelijk uit. Herhaal de woorden vaak en geef de betekenis. Hang de woorden in het cluster op de woordmuur. Laat de woorden hangen tot de kinderen ze kennen. Hang niet meer dan 6 a 7 clusters per keer op.


Stap 5
Herhaling. Speel gedurende de week spelletjes met de woorden.
De bedoeling hiervan is consolidatie, oftewel het inslijpen van de begrippen. Begin passief, daarna actief.
Ideeën voor spelletjes:

De koning
Eén kind is de koning of koningin. De koning moet een belangrijke brief schrijven, maar hij is een woord vergeten! De kinderen moeten de koning helpen dit woord te vinden, maar zij maken het de koning niet gemakkelijk. De koning moet het woord raden. Het woord hangt als een plaatje of met tekst op de kroon van de koning. De koning kan het woord zelf niet zien, de kinderen in de klas wel. De kinderen vertellen iets over het woord, ze mogen het woord zelf niet gebruiken. Zo probeert de koning erachter te komen over welk woord het gaat.

Alle vogels vliegen
De leerkracht vertelt iets over een woord van de woordmuur, bijv. "Met een bijl kun je schrijven"! Dit is grote onzin. De kinderen blijven zitten. Wanneer de leerkracht iets vertelt wat wel waar is, zoals "Alle vogels vliegen", gaan de kinderen staan en wapperen ze met de armen.

De detective
Eén kind gaat naar de gang en krijgt een woord van de woordmuur. Het kind gaat terug naar de klas. De klas mag 10 vragen stellen die het kind met ja of nee kan beantwoorden, om erachter te komen welk woord het kind in gedachten heeft. De klas moet goede vragen stellen.

De bom
Nodig: een "bom" (een kookwekker in een ondoorzichtig tasje).
Eén kind noemt een woord. Het volgende kind noemt de betekenis èn een nieuw woord. Enz.

Woordstukjes
De leerkracht noemt een stuk van een woord van de woordmuur, bijv. li-... hij gooit de (zachte) bal naar een kind. Dit kind noemt het ontbrekende stuk: -bel. Nu mag dit kind het eerste stuk van een woord noemen en de bal naar een volgend kind rollen of gooien.

Raadsels
De leerkracht geeft raadsels over woorden van de woordmuur.

Ren je rot
Er hangen verschillende woorden (3 of 4) in de speelzaal/buiten. De leerkracht vertelt iets over één van deze woorden. De kinderen rennen naar het woord waar het over gaat.
De woorden zijn bijvoorbeeld: herfst, winter, lente, zomer. De leerkracht vertelt bijvoorbeeld: "Het sneeuwt buiten. Ik doe een warme jas aan."