“Ik kan bepalen of een zin in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd staat.” 

Vul alles in en klik dan op "Controleer". Druk op [?] of "Hint" voor hulp. Dat kost echter wel punten.
Vorige week zat ik nog in de Ardennen.
Nu zit ik al weer op school.

De eerste zin hierboven staat in de verleden tijd (vt), want vorige week is al geweest.
De tweede zin staat in de tegenwoordige tijd (tt), want het speelt zich nu af.

Merk op dat de PV in de zinnen verschilt: zat/zit.

Ook deze zin staat in de tt:
Volgende week ga ik logeren.
Het logeren is namelijk niet al geweest.

Opdracht: bepaal de tijd van de volgende zinnen.
Vul alleen in: tt of vt.

1. Twee maanden geleden overstroomde hier de boel.
2. Die vrouw neemt iedereen bij de neus.
3. Ga je je verjaardag eigenlijk nog vieren?
4. De agenten zaten drie uur lang achter de overvaller aan.
5. Hoe kon ik dat weten?
6. Op de tennisclub wordt de overwinning gevierd.
7. Krommenie ligt ongeveer 20 kilimeter van Amsterdam af.
8. Er liggen kapers op de kust.
9. De mannetjesrugstreeppad kun je in voorjaarsnachten horen ratelen.
10. Als de oogst mislukt was, kregen heksen de schuld.

Onthoud: de persoonsvorm verandert mee, als de tijd verandert.