1.
Meneer Luposjki keek door het raam naar buiten en zei hardop tegen zichzelf:
,,O, wat een prachtig weer. Wat jammer dat ik niet in de zon kan wandelen ...
Nou ja, niets aan te doen, het werk gaat voor. Maar ik weet wat ik zal doen. Ik
zet de tuindeuren wijd open, dan is het net alsof ik buiten ben." 
Nadat
meneer Luposjki dit gedaan had, ging hij snel achter zijn piano zitten. Hij
zette er een dik muziekboek op en begon te spelen. Ontelbare kleine
muzieknootjes dansten de tuin in. Dat klonk vrolijk! Meneer Luposjki speelde en
speelde maar door, uren achter elkaar. Dat moest ook wel, want hij was
concertpianist. Over vijf dagen was er een concert, dus nu was hij hard aan het
oefenen.
2.
Buurvrouw Lena, die de storm wél zag aankomen, holde gauw de tuin in om de was
binnen te halen. O, o, dacht ze, toen ze de pianomuziek hoorde. Kunstenaars zijn
toch allemaal warhoofden. Nou zit die man met de deuren wijd open piano te
spelen, terwijl het zo direct gaat stortregenen en stormen ... Nou ja, ik zal me
er maar niet mee bemoeien.
Plotseling
blies een harde windvlaag een beeldje omver, dat op meneer Luposjki's piano
stond. Het beeldje kwam precies op de rechterpink van meneer Luposjki terecht.
De toetsen van de piano lagen vol scherven.
"Au,
au", hoorde buurvrouw Lena meneer Luposjki roepen. "Au, au, ik heb een
dokter nodig!"
"Ik
zal de dokter voor u bellen, hoor," riep ze over de schutting heen en ze
rende haar huis in naar de telefoon.
3.
De dokter kwam snel en terwijl hij de pink verbond, mompelde meneer Luposjki:
"Dit is afschuwelijk! Nou kan ik geen piano spelen op het concert!"
"Nee,
dat is waar", zei de dokter. "Het is vervelend voor u, maar met een
gebroken pink kun je geen piano spelen."
"Ach,
wat verschrikkelijk," zei Alida. "Nou kan hij geen piano spelen op het
concert. Ach, ach, wat een ellende. Maar kom toch even binnen voor een kop
koffie. Dan kun je het hele verhaal nog eens rustig vertellen."
5.
Nadat buurvrouw Lena weer naar huis was gegaan, liep Alida nog even naar de
slager. Toen ze aan de beurt was, zei ze: "Een half pond gehakt, heeft u 't
al gehoord?"
"Jazeker
mevrouw, u wilt een half pond gehakt," zei de slager beleefd.
"Nee
slager, dat bedoel ik niet. Ik bedoel: heeft u al gehoord, dat Luposjki zijn
armen heeft gebroken en dat hij dus geen piano kan spelen op het concert?"
"Nee
maar, dat is niet mis," zei de slager. "Mevrouw, hier is uw gehakt,
alstublieft en tot ziens."
6.
Toen de volgende klant binnenkwam, begon de slager meteen over meneer Luposjki's
ongeluk. "Weet u het al?" zei hij. "Meneer Luposjki's armen
zitten allebei in het gips. Hij heeft ze gebroken, ziet u. Dus nou kan hij geen
piano spelen op het concert, want met stijve, witte gipsarmen wil dat
niet."
"Lieve
help, wat een ramp!" riep de dame in de winkel. Toen ze vlees gekocht had,
haastte ze zich naar de groenteboer om groente te kopen, maar vooral om het
nieuwtje te vertellen.
7.
"Zegt u het maar," zei de groenteman.
"Heeft
u het al gehoord?" riep ze. "Er is iets vreselijks gebeurd! Meneer
Luposjki zit helemaal in het gips. Hij heeft al zijn botten gebroken en nu kan
hij geen piano spelen op het concert."
"Wat
jammer voor die man," zei de groenteman en hij ging door met het helpen van
de klanten. Die hadden het vreselijke verhaal allemaal gehoord en stonden nu
opgewonden met elkaar te fluisteren.
8.
Een dikke dame haastte zich de winkel uit naar de bakker. Om taartjes te kopen,
maar vooral om het nieuwtje te vertellen. "Waarmee kan ik u helpen?"
vroeg de bakker.
"Uh,
zeven slagroomtaartjes alstublieft en heeft u het al gehoord van meneer
Luposjki?'" "Nee," zei de bakker. "Is er iets gebeurd? U
kijkt zo ernstig."
"Ja,
ach ja, het is vreselijk," zuchtte de dikke dame. "Meneer Luposjki
ligt in het ziekenhuis. Hij zit van top tot teen in het gips. Al zijn botten
zijn gebroken en zijn piano is ook kapot."
"Nou,
nou," zei de bakker. "Een mens kan lelijk terechtkomen." En hij
pakte de slagroomtaartjes in.
9.
Even later kwam Kosinska de bloemenverkoopster binnen. Kosinska en Luposjki
waren beste vrienden. Ze waren allebei in hetzelfde land geboren, ergens heel
ver weg, en spraken dezelfde taal. En zo waren ze vrienden geworden, want het is
best fijn om eens met iemand in je eigen taal te praten.
Toen
de bakker haar zag, riep hij opgewonden:
"Je
vriend Luposjki ligt in het ziekenhuis. Hij heeft al zijn botten gebroken tot en
met zijn neusbeentje. Hij is helemaal wit van het gips!" "Nee
toch," riep Kosinska. "Wat vreselijk, wat ontzettend. Ik moet naar hem
toe!" En ze holde de winkel uit.
10.
"Op welke kamer ligt meneer Luposjki?" vroeg ze, toen ze binnen was.
"Dat
zal ik even na moeten kijken," zei een zuster. Ze pakte een lijst met namen
en mompelde: "Lammegang, Leeghwater, Lodewijks, Luursen ... " Toen
keek ze op en zei:
"Mevrouw,
er ligt geen meneer Luposjki in het ziekenhuis. Het spijt me zeer, maar ik kan u
niet helpen."
Stomverbaasd
keek Kosinska haar aan. "Daar begrijp ik geen sikkepit van," riep ze.
"Nou, in ieder geval bedankt."
11.
En daar ging ze weer, op weg naar het huis van meneer Luposjki. Doodmoe van het
hollen drukte ze op de bel. Ik hoop maar dat er iemand opendoet, dacht ze.
Iemand moet me toch vertellen waar mijn zieke vriend gebleven is.
De
deur ging open. En wie stond daar rustig in de gang, met zijn pink in het
verband? Meneer Luposjki natuurlijk ...
"Nee
maar, wat aardig van je om op bezoek te komen," zei hij. "Kom binnen
en doe je jas uit." Kosinska was zo verbaasd, dat ze even niets kon zeggen.
Na een poosje fluisterde ze: "Ik dacht dat je in het ziekenhuis lag ... Dat
had de bakker mij verteld." En toen vertelde ze het hele verhaal.
"Praatjes
moet je niet zo gauw geloven," zei de pianist. "Zoals je ziet, heb ik
alleen m'n pink maar gebroken. Maar dat komt wel weer in orde. Zullen we een
kopje thee drinken?"
12.
Toen ze ieder van een heerlijk kopje thee zaten te genieten, schoot Kosinska
opeens in de lach.
"Wat
ben jij deftig geworden," zei ze. "Je lijkt wel een freule, zo keurig
houd jij je pink omhoog als je thee drinkt."