Oefenen na de analyse 'tekstbegrip'

 

Informatie uit de tekst kunnen reproduceren:

Haaienverhalen

 

Informatie uit de tekst kunnen afleiden:

Betekenis van een woord afleiden

Letterlijk of figuurlijk? 

Gatentekst (1)

Gatentekst (2)

Gatentekst (3)

Voegwoorden (0)

Voegwoorden (1)

Voegwoorden (2)

Voegwoorden (3)

Voegwoorden (4)

Informatie afleiden

Voorspellen hoe de tekst verder gaat

 

Kunnen aangeven waar verwijswoorden naar verwijzen, gebruik kunnen maken van verwijswoorden:

Verwijswoorden (1)

Verwijswoorden (2)

Husselzinnen (0)

Husselzinnen (1)

Husselzinnen (2)

Husselzinnen (3)

Husselzinnen (4)

Husselzinnen (5)

Husselzinnen (6)

Husselzinnen (7)

Husselzinnen (8)

Husselzinnen (9)

Husselzinnen (10)

 

Onderwerp van een tekst kunnen vaststellen:

Voorspellen aan de hand van de titel

Sleutelwoorden

Thema van een verhalende tekst

 

Doel van de schrijver kunnen aangeven, tekstsoorten kunnen herkennen:

Zakelijk: bedoeling schrijver (informatief)

Zakelijk: bedoeling schrijver (argumentatief)

Zakelijk: bedoeling schrijver (directief)

Zakelijk: bedoeling schrijver (door elkaar)

 

 

Let op: tekststructuren zijn in de analysetoets niet aan bod gekomen. Wie bovenstaande punten beheerst, kan verder gaan met deze oefeningen:

Tekststructuren (1): oorzaak-gevolg

Tekststructuren (2): middel-doel

Tekststructuren (3): probleem-oplossing

Tekststructuren (4): overeenkomst-verschil

Tekststructuren (5): opsomming

Tekststructuren (6): door elkaar

Signaalwoorden (1)

Signaalwoorden (2)

Signaalwoorden (3)

Husselteksten (1)

Husselteksten (2)

Husselteksten (3)

Hoofdgedachte (1)

Hoofdgedachte (2)